Op deze pagina informatie over het houden van sierduiven.
Heb je belangstelling voor sierduiven? Op deze pagina kun je veel informatie vinden. Als je wilt kan de NBS je ook in contact brengen met een sierduivenfokker bij je in de buurt.

Beginnen met Sierduiven

Voor het houden van sierduiven heeft u in ieder geval een hok nodig waarin u de duiven kunt huisvesten. Waar dit hok aan moet voldoen, leest u verder op de site bij huisvesting. Maar waar het allemaal om draait, zijn natuurlijk de duiven.

erlauers

Erlauer Tuimelaars foto: Han Sijmons

Welk Ras?

Voordat u tot aanschaf overgaat, zult u zich eerst moeten afvragen welk ras u graag in uw hok wilt hebben. Er zijn in Nederland ongeveer 250 rassen erkend door de Nederlandse Bond van Sierduivenliefhebbers-verenigingen (NBS). Er zijn grote en kleine rassen, elk met hun eigen kleurslagen. Keuze genoeg als u mee wilt doen met de tentoonstellingen. Op de tentoonstellingen, die van oktober tot en met maart worden gehouden, heeft u een goede mogelijkheid zich te oriënteren. Kijk bij een plaatselijke kleindiervereniging of bezoek eens een landelijke tentoonstelling waar u in contact kunt treden met fokkers van diverse rassen.

Als u net begint, is het beter om niet meer dan 1 ras te nemen. Dit om teleurstellingen te voorkomen. Neem nooit te veel duiven en begin dan ook met één koppel om te wennen. Nazaten heeft u dan snel.

mookee

Mookee, foto: Boelie Rouw

Voor een beginneling is het verstandig om bij verschillende duivenliefhebbers informatie in te winnen of zich bij een club aan te sluiten. Wanneer u lid wordt van een sierduivenliefhebbersvereniging zult u merken dat er genoeg liefhebbers zijn die willen helpen en eventueel u wat duiven willen schenken.

Waar kopen?

Als u geïnteresseerd bent in een bepaald ras, adviseren wij u om eerst contact op te nemen met de bijbehorende speciaalclub. Daar kunnen ze u doorverwijzen naar de fokkers. Ook bieden diverse liefhebbers bieden hun duiven te koop aan via internet en de fokkersbladen. Voor 15 Euro bent u al in het bezit van een koppel.

Speciaalclub

Als u serieus verder wilt met het ras van uw keuze is het verstandig lid te worden van een speciaalclub. Hier is veel ervaring en kennis aanwezig omtrent de rassen. Bijna elk ras wordt wel vertegenwoordigd door een speciaalclub. Klik op de link voor speciaalclubs van het betreffende ras.

Fokkerskaart en ringen

Als u mee wilt doen aan tentoonstellingen moet u lid zijn van een kleindierenvereniging of sierduiven liefhebbers vereniging die bij de NBS is aangesloten. Hier kunt u uw fokkerskaart en ringen bestellen.

De verzorging van Sierduiven

Naar boven

Duiven zijn zeker niet veeleisend, maar dagelijks voer en vers drinkwater stellen zij zeer op prijs. Bij iedere dierenwinkel is sierduivenvoer te verkrijgen en verdere toebehoren zoals drink en voerbakken.

badende_duiven

Badende Oud-Hollandse Meeuwen, foto: Jan Kastelein

Een bad nemen, doen ze ook heel graag. Dit is goed voor hun conditie en verenpak. Het spreekt voor zich dat hygiëne bij duiven belangrijk is. Om ziektes te voorkomen zult u met regelmaat het hok moeten schoonmaken.

Voer en water

De duiven krijgen meestal twee maal per dag een mengeling van granen en peulvruchten. In elke dierenspeciaalzaak is prima voer te koop. Vaak voor de rasgroepen speciaal geselecteerd. Dan ook nog in kweek-, rui- en wintermengeling. Een duif eet per dag zo’n 30 gram.
Een duif heeft in verhouding veel vocht nodig, om het voer goed te kunnen verteren. Ook drinken ze om hun lichaam op temperatuur te houden. Let er dus op dat de drinkbak altijd gevuld is. In de zomer en als ze hun jongen voeren hebben ze tot 4 keer zoveel water nodig.
Naast het duivenvoer, hebben duiven mineralen nodig en potjes met grit en roodsteen mogen dan ook niet ontbreken voor een goede spijsvertering. Door het grit wordt het voedsel in de maag gemalen.
Om overlast van ratten en muizen te voorkomen, moet u ervoor zorgen dat er ‘s nachts geen voer in de voerbakken blijft liggen en dat de voervoorraad goed afgesloten wordt bewaard.
Meer over het voedsel van duiven kunt u lezen bij het onderdeel voeding.

Een duif eet per dag 30 gram, foto: Ronald van Dijk

Een duif eet per dag 30 gram, foto: Ronald van Dijk

Schoonmaken

Omdat ziekteverwekkende kiemen zich kunnen handhaven en vermeerderen in vuil en zo de duiven kunnen besmetten, moet het duivenhok regelmatig worden schoongemaakt. De ontlasting van de duiven wordt met behulp van een krabber van de vloer, de zitschapjes en uit de broedhokjes gekrabd.

Omdat ook via drinkwater ziekten kunnen worden overgegeven, moeten ze niet alleen dagelijks ververst worden maar ook regelmatig met een borstel worden schoonmaakt.
Natuurlijk moeten ook de etensbakken zo nu en dan een grondige schoonmaakbeurt krijgen en bijvoorbeeld ook de manden waarin de duiven worden vervoerd.

Een bad

Duiven baden graag en het behoort tot de persoonlijke hygiëne van de duiven. Het baden heeft een stimulerende invloed op de veerverzorging en het moet daarom af en toe voor de duif mogelijk zijn een bad te nemen. Zet hiervoor een bak gevuld met ongeveer 10 cm water, in de tuin of in het hok. Laat het bad na het baden niet te lang staan, want soms drinken de duiven eruit, wat niet bevorderlijk is voor hun gezondheid. Om dit te voorkomen, kan aan het water een scheutje azijn of badzout worden toegevoegd. Dit heeft tevens een positief effect op de bevedering.

Ongedierte

Bij de duif komen een aantal parasieten voor die zich op de huid en tussen de veren van de duif op hun gemak voelen. Het schadelijke effect van dit ongedierte wisselt per soort en is ook niet altijd even duidelijk. Wat ze in ieder geval onder de duiven teweeg brengen is onrust. De duiven moeten regelmatig worden gecontroleerd, zeker voordat ze naar de tentoonstelling gaan.
Enkele veel voorkomende parasieten zijn de lange veerluis, de kleine veerluis en de schachtmijt. De lange veerluis zit tussen de vlaggen van de veren en wordt vooral gevonden als de duif een ziekte onder de leden heeft. De kleine veerluis wordt vooral op de rug,de nek en op de stuit gevonden. Deze luis zuigt geen bloed zoals wel werd aangenomen. De schachtmijten zitten tegen de schacht van de veer waardoor de veren kunnen uitvallen.
Tegen dit soort parasieten is in de dierenspeciaalzaak een spray verkrijgbaar.

Nagels knippen

Bij sommige sierduiven komt het voor dat de nagels te lang worden. Ze kunnen dan minder goed staan en soms niet meer over de grond lopen.
Controle van de duiven is daarom noodzakelijk, zeker voordat ze naar een tentoonstelling gaan. Als de nagels te lang zijn,moeten ze geknipt worden. Knip ze niet korter dan ongeveer 1cm, omdat in dit gedeelte van de nagel is waarin de bloedvaten en zenuwen zitten.

Als u aan deze voorwaarden voldoet, dan zult u zien wat een fijne hobby het is om sierduiven te houden voor uw ontspanning.

Voeding van Sierduiven

Naar boven

De duif (Columba livia) behoort met een groot aantal vogels tot de planteneters (herbivoren). Deze, ook wel zaadeters genoemd, moeten hun noodzakelijke voedingsstoffen uit allerlei rijpe en onrijpe zaden, granen en peulvruchten halen, welke de grondstoffen moeten zijn voor het leveren van arbeid en warmte, het onderhoud van de lichaamsfuncties en het leveren van produktie, zoals het leggen van eieren en het vernieuwen van het verenpak. Duiven hebben, in verhouding tot hun lichaamsinhoud, een groot lichaamsoppervlak. Samen met de hoge lichaamstemperatuur van 41,8 C vraagt dit enorm veel energie. Energie die uit de voeding moet worden gehaald.

De juiste voeding is heel belangrijk, foto: Gino de Wilde

De juiste voeding is heel belangrijk, foto: Gino de Wilde

Koolhydraten en vetten

Twee voedingsstoffen die de noodzakelijke arbeid en warmte leveren zijn respectievelijk koolhydraten en vetten. Koolhydraten komen het meest voor in zaden, granen en peulvruchten, variërend van 40-75%. Vetten komen veel minder in granen en peulvruchten voor, maar wel nogal veel in de verschillende zaden. Koolhydraten zijn samengestelde suikers en zetmeel. Ze worden in het lichaam afgebroken tot enkelvoudige suikers en in de lever omgezet in glycogeen, vanwaar het wordt omgezet in glucose en als brandstof wordt gebruikt in de spieren om de nodige arbeid te verrichten, waarbij warmte vrijkomt. Vetten leveren tweeëneenkwart maal zoveel energie als koolhydraten. Voor onze overwegend vastzittende duiven zijn vetten echter van veel minder belang, omdat de duiven weinig lichaamsbeweging hebben en daardoor weinig energie verbruiken, zodat het vet niet volledig verbrand wordt. De overtollige vetten gaan zich vastzetten om de spieren en organen, wat zeer nare gevolgen heeft voor de gezondheid van de duif. Hij wordt traag en lui, de bevruchting verloopt moeilijker, om maar niet te spreken over slechte eierproductie. Vetarme voeding is dus aan te raden, maar hierop komen we later terug.

Eiwitten

Het duivelichaam bestaat uit miljarden cellen, die voor een belangrijk gedeelte uit eiwitten bestaan. Van deze cellen sterver er geregeld enkele miljoenen af, die weer vernieuwd moeten worden. Hiervoor zijn eiwitten nodig, die opgebouwd zijn uit aminozuren, ook wel de bouwstenen van het eiwit genoemd. Er zijn ongeveer 24 verschillende aminozuren, die niet allemaal in één eiwit voorkomen, maar waarvan twee of meer verschillende combinaties voorkomen in peulvruchten. granen en zaden. Zo kan bijv. het eiwit van de groene erwt bestaan uit de aminozuurcombinatie 1, 8 en 17, en tarwe uit 6, 10 en 21. Een andere belangrijke functie die de eiwitten hebben is het produceren van enzymen voor de spijsverteringssappen. Een groot aantal van de eiwitten wordt in de verschilende granen en peulvruchten aangetroffen. Het meest komen ze voor in peulvruchten (van 16-23%), maar ook in granen. Hoewel in de graansoorten het procentuele gehalte lager ligt (tot +/- 11%) zijn ze van groot belang, omdat de samenstelling van de eiwitten wat betreft het aminozuurpatroon anders ligt dan bij de peulvruchten en voor de nodige aanvulling kan zorgen op het totale aminozuurpatroon. Ook de veren zijn opgebouwd uit eiwitten, wat een extra eiwitbehoefte met zich meebrengt tijdens de jaarlijkse rui in het najaar. Enige tijd voor en tijdens het fokseizoen is het noodzakelijk dat de duiven een zo’n groot mogelijke verscheidenheid aan eiwitten in de voeding aantreffen Dit in nodig voor de eierproductie, die veel gevarieerde eiwitten vraagt. Ook de duivepap of melk, die in de krop door het verslijmen van de kropwand ontstaat, moet een zo rijk mogelijke samenstelling hebben. Wel wordt deze papproductie door hormoonwerking bepaald. Het is waarschijnlijk dat duiven die regelmatig bepaalde eiwitten ontberen, deze ook niet door middel van de pap aan het jong door kunnen geven. De plantaardige eiwitten die in de voeding voorkomen die wij aan onze duiven verstrekken, zijn niet geheel volledig. Er ontbreken nog enige essentiële aminozuren aan die wel in dierlijke eiwitten voorkomen. Uit onderzoeken is gebleken dat wilde en verwilderde duiven regelmatig wat dierlijk voedsel in vorm van slakjes of insekten tot zich nemen. De duiven blijken deze dierlijke eiwitbronnen nodig te hebben ter completering van het volledige aminizuurpatroon. Met dit feit moeten we rekening houden bij het voeren van duiven die in afgesloten hokken en volières meestal niet in de gelegenheid zijn deze tekorten zelf aan te vullen.

Vitaminen en mineralen

Een volgend voedingsmiddel van groot belang voor duiven zijn de mineralen. Het zijn eigenlijk geen echte voedingsmiddelen,maar dienen meer ter aanvulling en ondersteuning van de voeding. Mineralen zijn anorganische (dode) stoffen die een belangrijke rol spelen bij de opbouw van het skelet en de groei en vervanging van lichaamsweefsels. Ook de eierschaal bestaat voor het belangrijkste deel uit minerale stoffen. Mineralen worden onderverdeeld in macro- en micro-elementen, d.w.z. macro (= veel) mineralen waar naar verhouding veel van nodig is, zoals kalk en fosfor, en micro (= weinig) waar erg weinig van nodig is, de zogenaamde sporenelementen. Kalk en fosfor spelen, samen met vitamine D, een belangrijke rol bij de vorming en instandhouding van het skelet. Behalve wat fosfor komen die stoffen in de normale voeding van de duif niet in voldoende mate voor. Ze moeten dus naast de voeding gegeven worden o.a. in de vorm van grit, wat in goede samenstelling te koop is. Vitaminen komen in zéér kleine hoeveelheden in voedingsstoffen voor en zijn zéér gecompliceerde organische verbindingen van dierlijke en plantaardige oorsprong.

Hun samenstelling komt overeen met eiwitten, koolhydraten en vetten en ze zijn nodig voor het onderhoud en de vernieuwing van de lichaamscellen en het goed laten functioneren van de organen. De meeste vitaminen kunnen niet in het lichaam zelf gevormd worden, maar worden in zeer kleine hoeveelheden door middel van het voedsel opgenomen. In het normale voedsel van de duiven komen vitaminen voor, maar niet alle vitaminen en meestal in onvoldoende mate, zodat we naast de gewone voeding duiven middelen moeten geven die de noodzakelijke vitaminen bevatten. En ten slotte water, bron van al het leven. Water is nodig voor het weken van het voedsel, het regelen van de lichaamstemperatuur en het doet dienst als ransportmiddel voor het voorgeweekte voedsel.

Water

Een duif heeft water nodig voor de geleiding en vertering van het voedsel. Per dag drinkt een duif ongeveer 50 ml water. Als er jongen te voeren zijn, is dit het dubbele. Het beste is om duiven elke dag vers kraanwater te geven.

Kwaliteit van de voeding

De granen, peulvruchten en zaden die wij onze duiven dagelijks verstrekken moeten van een goede kwaliteit zijn. Ze mogen niet muf ruiken of enig spoor van schimmel vertonen, wat meestal het gevolg is van een te vochtige opslag. Granen en peulvruchten op hun kwaliteit beoordelen is erg moeilijk. Het is daarom belangrijk dat u uw duivenvoer van een leverancier betrekt die als betrouwbaar bekend staat. Graan-, zaad- en peulvruchtsoorten mogen geen hoger vochtgehalte dan 17% hebben. Is het vochtgehalte hoger, dan lopen de voedingswaarde en het vitaminegehalte erg terug. Tevens kan te veel vocht in het graan darmstoornissen veroorzaken. Normaal is het vochtgehalte ruim onder de 17%. Het voer moet droog en onbereikbaar voor muizen in een goed geventileerde ruimte worden opgeslagen. Roer het mengsel regelmatig om, zodat de lucht vrij tot het voer kan toetreden.

De voeding van de duiven is één van de belangrijkste facetten van een goede fokkerij. In de eerste plaats moet de voeding gevarieerd zijn, met een grote verscheidenheid aan granen, peulvruchten en zaden. De verschillende seizoenen waarin het duivenjaar is verdeeld, vragen per seizoen de juiste daarvoor aangepaste voeding.

Voedingsfouten

Door de vele mengvoeders van voldoende kwaliteit, die tegenwoordig in de handel zijn, hoeft de fokker niet meer zodanig met voedingsleer vertrouwd te zijn als vroeger. Met enkele, als gevolg van voedingsfouten optredende en nog vaak voorkomende, storingen in de gezondheidstoestand van duiven, moet u echter wel bekend zijn.

Mengvoeder voor duiven is in het algemeen niet compleet. Meestal bevat het te weinig vitamine B en ook te weinig kalk. Vitamine B tekort leidt tot verstoorde functie van de spieren en onvoldoende beheersing daarvan. Treedt vitamine B gebrek acuut op (d.w.z. plotseling veel te weinig vitamine B voor een duif die altijd genoeg heeft gehad) dan treedt verslapping van de spieren op. In ernstiger gevallen kan de duif niet meer vliegen, soms zelfs niet meer staan. Hij kantelt dan voorover en blijft liggen met de snavelpunt op de vloer. In chronische gevallen (d.w.z. gedurende lange tijd iets te weinig) is het enige opvallende een sterk naar binnen gericht zijn van de voeten, d.w.z. de voortenen wijzen naar elkaar toe.

Tussenvormen van chronisch en acuut komen ook voor.

Kalkgebrek of fouten in de vitamine D voorziening (die de kalkopname uit voedsel regelt) leidt o.a. tot moeilijkheden bij de eiproduktie. Als een liefhebber regelmatig problemen met het ei leggen heeft in zijn hok, en daarvoor geen oorzaak gevonden kan worden in ziekte als b.v. paratyphus, dan kan de oorzaak liggen in kalkgebrek. Verkromming van het borstbeen kan ook een gevolg zijn van vitamine D gebrek. Waarschijnlijk speelt hierbij de erfelijkheid een rol, reden waarom hierop sterk wordt gelet.

Huisvesting

Naar boven

De duif is een geharde vogel, die goed tegen de warmte en de kou kan. Echter een duif kan slecht tegen tocht en vocht! Dus de huisvesting moet zodanig zijn dat de duiven beschutting kunnen zoeken tegen het bovengenoemde.

voliere Volière met sierduiven, foto: A.P.K.V. Het Oosten

Volière met sierduiven, foto: A.P.K.V. Het Oosten

Droog, tochtvrij en voorzien van veel frisse lucht, al naar gelang de ruimte die beschikbaar is. Of het nu een tuinhok met of zonder ren, een zolderhok, een muurhok of til is, de dieren moeten zich er thuis voelen. Te weinig ruimte en huisvesting in bedompte of tochtige schuren geeft aanleiding tot stoornissen van de luchtwegen. Duiven die op de juiste manier gehuisvest zijn, zullen in veel betere conditie verkeren dan duiven die in een slecht hok huizen.

Duiventil

Een duiventil kan heel goed, als men de duiven los wil laten vliegen. Plaats de til zodanig dat de invliegopeningen naar het zuidoosten geplaatst worden, vanwege regen en de windrichting. De duiven moeten in de til dus danig beschutting kunnen vinden tegen de regen en de wind. Duiventillen zijn in verschillende maten en soorten verkrijgbaar bij hobbyzaken en gespecialiseerde bedrijven.

Duiventil, foto: G. Nijenhuis

Duiventil, foto: G. Nijenhuis

Tuinhok

Wil men sierduiven niet vrij laten vliegen, dan dient de huisvesting zodanig te zijn dat de duiven wat meer ruimte nodig hebben. Daar kan men bijvoorbeeld een tuinhuisje voor gebruiken. Bij een grootte van twee bij twee meter en twee meter hoog kan men zonder probleem 4 koppels sierduiven houden.

We gaan ervan uit dat elk koppel 1 m3 ruimte nodig heeft. Bedenk wel dat we het hier over minimale maten hebben. Duiven hebben het recht om te vliegen! Hebben we rassen die los mogen vliegen, of duiven met veel voetveren, of rassen die door hun type, structuur of karakter weer een andere opzet nodig hebben, dan moeten we de inrichting van het hok hierop afstemmen.

Wat de duiven wel zeer op prijs stellen is dat aan het duivenhok een volière wordt gemaakt zodat zij kunnen genieten van de zon en de regen. De volière hoeft niet echt groot te zijn bijvoorbeeld de breedte van het hok en een diepte van 1 meter is al voldoende.

Het liefst zetten we het hok op het zuidoosten, zodat het daglicht het meest tot zijn recht komt. En al vinden we het zelf vaak prima, de gemeentelijke verordeningen moet men altijd in acht nemen. Maar ook anderen moeten er toch naar kijken en indien nodig met vakantie, ziekte of afwezigheid zullen zij er gemakkelijk in en bij moeten kunnen komen.

Nederlandse Helmduif, foto: Henk de Vos

Nederlandse Helmduif, foto: Henk de Vos

Inrichting

In het hok zullen we broedhokken moeten plaatsen waarin een broedschotel of -kistje geplaatst kan worden. Zitplankjes waarop of loketkasten waarin ze kunnen zitten. Een waterbak waarin vers water en wat bakjes voor grit roodsteen en mineralen mogen nooit ontbreken. Ook een goede voerbak is noodzakelijk, want duiven zijn zaadeters.In elke dierenspeciaalzaak is prima voer te koop. Vaak voor de rasgroepen speciaal geselecteerd. Dan ook nog in kweek-, rui- en wintermengeling.

Voor goede huisvesting kan door anderen gezorgd worden. Schoon houden van de hokken is een taak voor de liefhebber zelf.

Gezondheid

Naar boven

Een gezonde duif wordt ziek indien hij ziekteverwekkers binnenkrijgt en daartegen niet voldoende weerstand heeft. Is het aantal ziekteverwekkers gering, dan zal de weerstand van de duif vaak voldoende zijn. Is echter het aantal ziekteverwekkers groot en b.v. de voeding van de duif onvoldoende in hoeveelheid of kwaliteit, dan zal de weerstand vaak ontoereikend zijn en zal de duif dus ziek worden.

Eenmaal ziek geworden gaat de duif ziekteverwekkers uitscheiden via ontlasting, uitgeademde lucht of slijm uit de keel. In da natuur is de ruimte waarin de uitgescheiden verwekkers terecht komen zo groot, dat door het optredende verdunningseffect slechts een zeer klein percentage van de uitgescheiden ziekteverwekkers door een andere duif zal worden opgenomen. Hoe meer duiven echter in een hok per m2 verblijven, des te meer uitgescheiden verwekkers krijgen de andere duiven binnen. Het aantal ziektekiemen dat een duif per tijdseenheid binnenkrijgt noemen de infectiedruk. In een overbevolkt hok is dus sprake van een verhoogde infectiedruk. Als nu een dichtbevolkt hok slecht wordt schoongehouden, blijven de uitgescheiden ziekteverwekkers extra lang aanwezig, waardoor de infectiedruk nog hoger wordt.

Vochtige plekken in het hok zijn plaatsen waar de meeste ziekteverwekkende organismen lang in leven kunnen blijven; in een droge omgeving zijn ze minder actief.

Resumerend wordt een hoge infectiedruk dus veroorzaakt door:

  • Overbevolking
  • Gebrek aan reinheid
  • Vocht
  • Direct contact tussen ontlasting en voedsel

Aan deze 4 zaken moet u het eerste denken indien u wordt gevraagd wat te doen aan onvoldoende conditie. Ze vormen de basis van de gezondheidszorg.

Voorkomen is beter dan genezen

Duiven die goed verzorgd worden, zullen nauwelijks last hebben van ernstige kwalen. Toch kan het voorkomen dat er plotseling een duif ziek wordt of zich abnormaal gedraagt, zoals dikzitten. De tips hieronder vertellen u hoe te handelen en hoe u dit kunt voorkomen:

  • Bij behandelen: alle duiven van één hok gelijktijdig behandelen. Dit voorkomt dat één duif de andere opnieuw besmet.
  • Voorkom overvolle hokken
  • Dagelijks mest wegkrabben. Zandbodems zijn uit den boze.
  • Het hok (vloer, legnesten, zitplaatsen) moet droog zijn.
  • Drinkwater moet minstens éénmaal per dag ververst worden.
  • Het hok moet regelmatig ontsmet worden
  • Strooi geen voer op de grond.
  • Maak ook uw gereedschap goed schoon, zeker wanneer u hetzelfde gereedschap ook in andere hokken gebruikt. Voorkom ook dat u zelf de wormeitjes en coccidieën overbrengt van het ene naar het andere hok b.v via uw schoenen.
  • Vergeet ook de duivenmanden niet schoon te maken direct nadat ze gebruikt zijn.
  • Naast hygiëne is een doelmatige bestrijding van parasieten een noodzaak om topprestaties te blijven leveren.

Hoe te handelen bij een ziekte?

Mocht er toch een duif tussen zitten die zich abnormaal gedraagt, zoals dikzitten, dan kunt u hem het beste apart zetten om verdere besmetting te voorkomen. Als u niet weet wat er aan de hand is, ga dan niet zelf dan niet zelf experimenteren met medicijnen, maar ga naar een dierenarts voor een deskundig advies.

Hoe herken ik een ziekte?

Er zijn veel verschillende soorten ziektes. Sommige kunnen eenvoudig door de fokker zelf behandeld worden. Andere ziektes kunnen voorkomen worden door bijvoorbeeld enten. Dit laatste heeft alleen zin als de duiven veel in contact komen met andere vogels die mogelijk besmet zijn. Als u niet zeker weet wat er met de duif aan de hand is, is het altijd verstandig om er een gespecialiseerd dierenarts bij te halen. Deze beschikt ook over een groot assortiment geneesmiddelen om uw duiven weer beter te maken.

Hieronder vindt u een overzicht van de meest voorkomende ziektes. Zo kunt u tijdig ingrijpen als er iets aan de hand is.

Het Geel

Het Geel, of ook wel Trichomonose, is een veel voorkomende ziekte die gemakkelijk verholpen kan worden, maar ook dodelijk kan zijn. De ziekte is zeer besmettelijk.

Symtomen: gele, kaasachtige opeenhopingen in de keel.
Behandeling: Ronidazol in het drinkwater of tabletten. Ter preventie wordt voor het broedseizoen ook een geelkuur gegeven.

Coccidiose

Verstoring van de gezondheid met pijn in de buikholte. Coccidiose wordt veroorzaakt door een darminfectie. Besmetting kan voorkomen worden door ervoor te zorgen dat er geen mest in de voer- of drinkbakken komt.

Symptomen: dunne ontlasting, veel drinken, sterk vermageren. Ook zal het vliegvermogen afnemen.
Behandeling: door een dierenarts

Paramyxo

Paramyxo is een ernstige ziekte die op de pseudovogelpest lijkt. Deze ziekte tast het centraal zenuwstelsel aan en is moeilijk om te genezen.

Symptomen: dunne waterige ontlasting, eetlust verdwijnt, trillende kop, hangvleugels, evenwichtsstoornissen.
Behandeling: bijna onmogelijk, voorkomen kan wel d.m.v. enten met Colombovac emulsie. Voor het enten van uw duiven kunt uw terecht bij uw dierenarts.

Pokken

Deze virusziekte komt gelukkig weinig voor bij sierduiven, maar kan worden overgebracht door muggen. Indien de dieren niet behandeld worden, sterven ze door verhongering of verstikking.

Symptomen: korstvormige, gebarsten huidwoekeringen in de snavelhoek en aan het ooglid.
Behandeling: door de dierenarts. Voorkomen is mogelijk dmv enten. Voor duiven die weinig contact hebben met vreemden is dit niet noodzakelijk.

Paratyfus

Een ernstige, besmettelijke ziekte die veroorzaakt wordt door salmonella.

Symptomen: deze kunnen in 3 groepen worden verdeeld:
Gewrichtsaandoeningen: ontstekingen in de gewrichten.
Evenwichtsstoornissen: dezelfde verschijnselen als bij paramyxo
Orgaanaantasting: vermagering, slijmerige, groene ontlasting, slechte leg van eieren

Behandeling: behandeling is moeilijk en dient door een dierenarts uitgevoerd te worden. Voorkomen kan door vaccinatie. Dit moet ruim voor het broedseizoen gebeuren.

Kweken van Sierduiven

Naar boven

Zo rond de laatste weken van februari begint het kweeksezoen. De doffers worden met de duivinnen gekoppeld. Wie duiven houdt om zijn stam en het ras te verbeteren zet niet zomaar duiven bij elkaar. Het fokken begint met selecteren en fokkoppels samenstellen.

amsterdamse_baardtuimelaars

Amsterdamse Baardtuimelaars, foto: Roel Bijkerk

Fokkoppels

Als je fokkoppels samenstelt moet je er op letten dat je nooit 2 duiven kruist die dezelfde fout hebben. Dit is zeg maar de belangrijkste regel voor het samenstellen van fokkoppels. Verder is het toch meer “feeling” en inzicht. Dit ontwikkel je met de jaren mee. Bij het selecteren kan je het beste een lijst maken met alle ringnummers met daarbij de goede en minder goede eigenschappen van de duif. Je kunt dan een collega-fokker vragen wat hij er van vindt. De duiven waar je mee gaat kweken, moeten in de eerste plaats gezond en vitaal zijn.

Hamburger Stickenmeeuw, foto: Ronald van Dijk

Hamburger Stickenmeeuw, foto: Ronald van Dijk

Koppelen

Ieder koppel krijgt z’n eigen broedhok. Om te voorkomen dat de duiven in elkaars broedhok komen moet je ze eerst laten wennen. Je sluit ze twee dagen op in hun eigen hok en daarna laat ze ze om de beurt los.

Zo’n 7 tot 10 dagen na de paring wordt het eerste ei gelegd. Na 1 tot 2 dagen volgt het tweede ei. Bij het broeden wisselen de ouders elkaar af. De doffer broedt overdag en de duivin broedt de rest van de tijd. Het kan wel eens voorkomen dat de duivin een onbevrucht ei legt. Dit kan je controleren door de eieren tegen het licht te houden (na ongeveer 1½ week). De doorschijnende eieren kan je weggooien. Na 17 tot 18 dagen kruipen de jongen uit het ei. Dit kan wel 24 uur duren.

De Jongen

Het jonge duifje is na de geboorte nat, hulpeloos en blind. In 24 tot 48 uur is zijn gewicht verdubbeld. De jongen eten pap uit de krop van hun ouders. De eerste maand groeien de jongen enorm. Na ongeveer 25 dagen zijn de jongen 25 tot 30 keer zo zwaar als bij de geboorte.

Oud-Hollandse Meeuwen met jong, foto: Jan Kastelein

Oud-Hollandse Meeuwen met jong, foto: Jan Kastelein

Na ongeveer 6 tot 10 dagen kunnen de jongen geringd worden. De ring wordt, op z’n kop, om de linkerpoot geschoven. De ringen kan je bij de plaatselijke kleindiervereniging bestellen. Als je ringen wilt bestellen moet je ook beschikken over een fokkerskaart.

Jonge Canaria Kroppers, foto: Johnny de Zeeuw

Jonge Canaria Kroppers, foto: Johnny de Zeeuw

Na ongeveer 20 dagen zijn de jongen in staat om zelf te eten. Het is dan ook aanbevolen om rond die tijd kleine drink- en voerbakjes in het broedhok te zetten. De bakjes kan je met een vastgeschroefde wasknijper aan het broedhok bevestigen zodat ze niet om kunnen vallen. Zorg er ook voor dat de jongen niet uit het hok kunnen vallen. Het wil nog wel eens gebeuren dat een jong op avontuur gaat en uit het hok valt. Dit jong kan dan in een ander broedhok vallen en zal dan zeker door de eigenaar van dit hok te grazen worden genomen.

Jonge Oud-Duitse Meeuwen, foto: Salah Heidry

Jonge Oud-Duitse Meeuwen, foto: Salah Heidry

Na een maand kunnen de jongen het nest verlaten. Ze kunnen dan worden overgebracht naar hun eigen afdeling: het jongeduivenhok. Let wel goed op of de jongen genoeg drinken. Het komt wel eens voor dat een jong de drinkbak niet kan vinden. Als de jongen met hun ogen beginnen te knipperen dan krijgen ze te weinig vocht binnen. Je moet dan het jong met zijn kop in de drinkbak houden zodat hij kan drinken. Hij vergeet het daarna nooit meer.

Na ongeveer 10 tot 12 weken volgt de eerste rui. Na 4 à 5 maanden, precies op tijd voor het tentoonstellingsseizoen, zijn de jongen weer in topconditie.

Rui

Naar boven

Na het kweekseizoen worden vrijwel alle veren op het duivenlichaam vernieuwd. Een proces dat zich van de zomer (half juli) tot in het begin van de winter (half december) afspeelt.

spreeuwduiven01

Spreeuwduiven, foto: H. Hoksbergen

De rui begint bij de eerste slagpen (gerekend van binnenuit). Bij beide vleugels vallen deze slagpennen gelijktijdig uit. Wanneer de nieuwe pen voor driekwart volgroeid is, valt de volgende pen uit. Er vallen nooit meer slagpennen tegelijk uit, want dit zou het vliegvermogen van de duif te veel aantasten. Na het ruien van de zevende slagpen begint het ruien van de armpennen ook weer vanaf de binnenste gerekend. Het aantal armpennen dat per jaar geruid wordt, is niet voor elke duif gelijk. Sommige duiven ruien maar twee of drie armpennen per jaar, anderen meer en weer anderen ruien alle armpennen. Ongeveer tegelijk met het ruien van de armpennen, ruien ook de dekveren en staartpennen. Staartpennen ook weer in paren en te beginnen met de binnenste. Het ruien van de staartpennen geschiedt niet op rij, maar om en om, om het draagvlak van de staart zoveel mogelijk intact te houden. De op één na buitenste staartpen ruit het laatst. Dit zijn tevens de laatste grote pennen die geruid worden.

Kop-, hals-, borst- en buikveren ruien tegelijk met de vleugeldekveren en soms in hele groepen tegelijk, wardoor de dieren geheel of gedeeltelijk een kale kop krijgen. Donsveren ruien vrijwel het gehele jaar door. Aan de kwaliteit van de donsveren is af te lezen in wat voor conditie de duif zich bevindt. Zodra de lichaamsconditie van een duif niet optimaal is, is dit zichtbaar aan de donsveren, vooral aan de donsveren die zich rondom de aars bevinden. De veren zijn dan stijf en hard en komen niet uit de hulzen. Dit kan een gevolg zijn van ziekte of verkeerde voeding, of men is te lang doorgegaan met broeden, waardoor de duif niet in de gelegenheid is geweest zich tijdig te herstellen. Daarom is het verstandig niet langer dan tot eind juni met broeden door te gaan.

Het ruiproces is geen ziekte, zoals sommige liefhebbers nog wel geloven, maar een normaal proces, dat bij een goede conditie normaal verloopt. Jonge duiven moeten vanaf hun geboorte in 30 a 50 dagen opgroeien en een compleet verenpak opbouwen; onder normale omstandigheden geschiedt dat zonder problemen.

Tijdens het opgroeien van de jongen, zo omstreeks de veertiende dag, kunnen de jonge duiven, doordat de doffer alweer gaat drijven voor een nieuw nest eieren, enkele dagen wat minder gevoerd worden. Dit uit zich later door zogenaamde “groeistrepen” in het verenpak. Het is dan duidelijk te zien, vooral aan de slagpennen dat zich een storing heeft voorgedaan tijdens het groeien. Wanneer de doffer weer gaat drijven, is het het beste beide ouders bij de jongen in het broedhok op te sluiten totdat het eerste ei gelegd is.

Als een duif in een minder goede conditie is, kunnen er zich storingen in de groei van de veren voordoen; deze kunnen zich uiten in bloedpennen en buispennen.

Bloedpennen

Bloedpennen kunnen ontstaan doordat het bloedvaatje in de veerfollikel beschadigd is en er bloed in de spoel van de schacht vloeit. Soms wil het zich nog wel herstellen, maar in ieder geval moet u een bloedpen er nooit uittrekken, omdat er toch meestal geen betere nieuwe pen voor in de plaats komt en het uittrekken nogal met bloedverlies gepaard gaat.

Buispennen

Buispennen ontstaan doordat het vliesje om de groeiende pen niet wil scheuren. De beide haarden kunnen dan niet hun normale stand innemen en de veer blijft in opgerolde toestand. Buispennen zijn meestal het gevolg van een doorstane ziekte, een verkeerde voeding of een slechte conditie van de duif.

Veren

Naar boven

Het verenpak van de duif is zeer doelmatig en geheel aangepast aan de eisen waaraan het moet voldoen. Het is licht en sterk en geeft de vogel het vermogen te vliegen en z’n lichaamswarmte te regelen. Het is in de zomer koel en ‘s winters een goed isolerende mantel, die de lichaamswarmte lang vast kan houden. We kunnen de veren indelen in:

  • grote veren
  • dekveren
  • donsveren
speelderkens

Speelderkes, foto: Peter Goossens

Grote veren

De grote veren of vliegveren bestaan uit slagpennen, armpennen en staartpennen. Deze vliegveren stellen de duif in staat te vliegen en zijn van een sterke constructie. Vliegveren hebben een sterke schacht, die tot het eind van de veer doorloopt. Aan weerszijden van die schacht hebben ze een brede en een smalle zijde. Aan de schacht bevinden zich de baarden en baardjes, die onderling verbonden worden door de zogenaamde haakjes en de veer tot een sterk geheel maken. De schacht ontstaat uit een veerfollikel in de huid, wat te vergelijken is met een haarzakje bij de mens. In de veerfollikel komt de veer tot ontwikkeling. Naar de veerfollikel lopen bloedvaten die de nodige voedingsstoffen aanvoeren om de veer te laten groeien. De veerschacht begint bij de zogenaamde veernavel, een rond gaatje dat de voedingsstoffen doorlaat naar de groeiende veer. Als de veer volgroeid is, wordt de veernavel afgedicht.

Dekveren

Dekveren zijn ongeveer van dezelfde constructie als de vliegveren, maar de schacht is minder sterk ontwikkeld en loopt niet zover door als bij de vliegveren. De dekveren dienen om de duif z’n stroomlijn bij het vliegen te geven en als beschutting tegen wind en regen. Ze bevinden zich op de vleugels en op die lichaamsgedeelten die in direct contact staan met de buitenlucht.

Donsveren

Donsveren hebben een heel korte schacht, nauwelijks buiten het lichaam uitstekend. De baarden zijn volledig ontwikkeld, maar worden niet verbonden waardoor ze nogal warrig zijn. Deze veren doen dienst als isolatie en bevinden zich op verschillende plaatsen onder de dekveren en aan het onderlichaam.

Veervelden

De veren komen niet gelijkelijk verdeeld over het lichaam voor, maar op zogenaamde “veervelden”. Vanaf de ondersnavel loopt een veerveld naar de borst, dat voor het borstbeen zich vertakt om dan als twee veervelden aan weerszijden van het borstbeen te lopen en bij de aars weer bij elkaar te komen, vanwaar ze gezamenlijk overgaan in de staart. Op de scharnierende gedeelten van poten en vleugels bevinden zich geen veren. Over de kop loopt een veerveld naar de staart, dat ongeveer bij de staartwortel ophoudt. Vanaf de dijen lopen de veervelden naar de staartinplant, vanwaar ze overgaan in de staartpennen.

Spijsverteringsorganen

Naar boven

Het verteren van harde graankorrels vraagt om spijsverteringsorganen die in staat moeten zijn de graankorrels om te zetten in stoffen die door het duivelichaam kunnen worden opgenomen om te worden gebruikt voor energie en vernieuwing. Het is een zwaar verteringsproces, dat veel energie vraagt, maar de spijsverteringsorganen zijn daar goed op ingesteld.

spijsvertering

Spijsverteringsorganen van de duif

Een graankorrel opgenomen door de snavel komt in de keelholte, waar speeksel wordt toegevoegd; daarin bevinden zich stoffen die een begin maken met de afbraak van de koolhydraten. Vervolgens gaat de korrel via de slokdarm naar de krop waar hij in het opgenomen water wordt geweekt. De krop is eigenlijk niets anders dan een verwijd gedeelte van de slokdarm, waar het voedsel enige tijd kan worden bewaard en waaruit het met kleine beetjes wordt doorgevoerd naar de kliermaag. In de wanden van de kliermaag bevinden zich klieren die verteringssappen afscheiden (enzymen). Twee belangrijke verteringssappen zijn pepzine en zoutzuur, die gezamenlijk het eiwit gedeelte verteren. Het zoutzuur heeft nog twee functies; ten eerste doodt het door z’n antiseptische werking de schimmels en bacteriën die eventueel met het voedsel werden opgenomen, ten tweede lost het dein het voedsel aanwezige calciumzouten op. De graankorrel heeft tot en met het passeren van de kliermaag nog steeds z’n zelfde vorm behouden, alleen is hij wat gezwollen door het weken en de inwerking van de verteringssappen. De graankorrel is nog lang niet geschikt om opgenomen te worden in het lichaam. Het vermalen van de graankorrel gebeurt in de spiermaag, een platte geribbelde buis bekleed met een harde keratinelaag, die samen met opgenomen scherpe steentjes voor het kleinmaken van de graankorrel zorgt. Als de graankorrel in zeer kleine stukjes is vermaald, kunnen de verteringssappen nog beter hun werk doen. De graankorrel is een dunne brij geworden, die wordt doorgevoerd naar de dunne darm, die het verteringsproces voortzet. De dunne darm bestaat uit drie gedeelten, nl. de twaalfvingerige darm, de nuchtere darm en de echte dunne darm. De twaalfvingerige darm is lusvormig, met binnenin z’n lus de alvleesklier of pancreas. De pancreas is een belangrijk orgaan, dat z’n enzymen aan de twaalfvingerige darm afgeeft. Deze enzymen zorgen voor de verdere afbraak van eiwitten en koolhydraten.

Eiwitten worden gesplitst in aminozuren en koolhydraten in enkelvoudige suikers. In de nuchtere darm worden vanuit de lever de galsappen toegevoerd, die de vetten splitsen in vetzuren en glycerol. Van de nuchtere darm wordt het nu geheel vloeibare voedsel doorgevoerd naar de dunne darm, waarin zich de darmvlokken bevinden, die zorgen voor de opname in de bloedbaan. De onverteerbare stoffen worden doorgevoerd naar de dikke darm en via de cloaca uit het lichaam verwijderd. Het bovenstaande geeft in grote lijnen weer wat zich tijdens het verteringsproces afspeelt.

Organen

Naar boven

De longen

De longen van een duif zijn betrekkelijk klein en niet rekbaar zoals bij de zoogdieren. Ze bestaan uit een aantal luchtkanaaltjes, die zich weer vertakken in zeer dunne haarvaatjes die zeer bloedrijk zijn. De longen zitten vast aan de wervelkolom, ongeveer in het midden van het lichaam, en zijn verbonden met vijf paar luchtzakken. Deze dunwandige zakken vullen de ruimten tussen de organen op., waardoor ze een zekere bescherming bieden aan de organen. De luchtzakken zijn in paren over het lichaam verdeeld, waarvan het achterste paar het grootst is. Een duif die vliegt, trekt bij de neerslag van de vleugels de borstspieren krachtig samen, waardoor de inwendige lichaamsruimte samengedrukt wordt en de luchtzakken wat verkleind worden. De lucht wordt dan via de longen naar buiten geperst. Bij de opslag van de vleugels ontspannen de spieren zich. De luchtzakken worden dan via de longen weer gevuld met lucht. In de luchtzakken bevinden zich zeer weinig bloedvaten, waardoor er weinig zuurstofopname plaatsvindt. De longen daarentegen zijn zeer bloedrijk, vooral in de talrijke haarvaten, die de zuurstofopnemen en het koolzuur afgeven. Als een duif in rust is, worden de ribben bewogen door spieren die de lichaamsholte samenpersen en weer ontspannen, waardoor mede de luchtzakken worden samengedrukt en zich vervolgens ontspannen, zodat er uitwisseling van zuurstof en koolzuur kan plaatsvinden. In rust ademt een duif ongeveer 30 maal per minuut, wat bij snelle beweging op kan lopen tot ongeveer 450 maal per minuut.

longen

Longen, hart en bloedsomloop

Het hart en de bloedsomloop

Het hart is een sterke spier die dienst doet als zuig-perspomp. Het verplaatst het bloed, dat voedingsstoffen en zuurstof bevat, naar alle delen van het lichaam. Het hart is verdeeld in vier afdelingen, die weer verdeeld zijn in een linker- en een rechterkant die niet rechtstreeks met elkaar zijn verbonden. Het linkergedeelte zuigt het zuurstofrijke bloed van de longen op en transporteert het naar alle delen van het lichaam en de organen. Daar geeft het bloed de voedingsstoffen en zuurstof af en dan wordt het zuurstofarme bloed teruggevoerd naar het rechtergedeelte van het hart en doorgevoerd naar de longen, waar het koolzuur wordt afgegeven. Het hart van een duif pompt gemiddeld 240 slagen per minuut. Bij een grotere inspanning kan dit wel oplopen tot 400 slagen per minuut.

De lever

De lever is het grootste orgaan in het duivenlichaam. Zij bestaat uit twee lobben. De kleur is bruinrood. De lever is een zeer belangrijk orgaan met een aantal belangrijke functies:

  • Het ontgiften van het bloed. Uit het bloed worden de schadelijke stoffen gehaald en omgezet in onschadelijke stoffen.
  • Het verwijderen van het ijzer uit de afgestorven bloedlichaampjes, zodat het weer gebruikt kan worden voor de nieuwe aanmaak van bloedlichaampjes.
  • Het vormen van een reserve aan koolhydraten en vitaminen. De suikers die eerst in de darm zijn afgebroken, worden in de lever weer opgebouwd tot glycogeen en in deze vorm opgeslagen.
  • De productie van gal. De galzure zouten in de gal moeten in de darm de vetten oplossen, waardoor deze beter ontvankelijk worden voor de inwerking van enzymen.De duif heeft geen galblaas. De gal wordt rechtstreeks vanuit de lever in de darm gebracht en constant geproduceerd. Wanneer een duif lange tijd niet gegeten heeft, bestaat de groenere ontlasting uit pure gal.

De nieren

Bij te veel afbraakstoffen in het bloed worden deze in de nieren gezuiverd en als urine afgevoerd naar de cloaca. Het vocht uit de urine wordt weer opgenomen in de bloedbaan, waarna de ingedikte afvalstoffen overblijven, die door het lichaam worden uitgescheiden als een witte pluim op de mest. Veel liefhebbers denken dat de witte pluim kalk is, maar het is niets anders als ingedikte urine.

Het vrouwelijke geslachtsorgaan

Het vrouwelijke geslachtsorgaan bestaat uit een eierstok en een eileider. Op de eierstok bevinden zich 1000 tot 1600 eifollikels. Deze eifollikels zijn omgeven door een vlies, waarin zich de bloedadertjes bevinden die de eifollikels van voedingsstoffen voorzien en waarin de eifollikels kunnen groeien. Als een eifollikel tot een eicel volgroeid is, scheurt het vlies en komt de eicel vlak voor de trechter van de eileider. Op dat moment kan de eicel bevrucht worden door de zaadcel en versmelten ei en zaadcel tot een kiemcel met dooier; deze wordt doorgevoerd in de eileider. De eileider bestaat uit vijf gedeelten, die elk een afzonderlijke functie hebben bij de vorming van het ei. In het eiwitvormend gedeelte wordt in ongeveer 3 uur het eiwit om de dooier gevormd. Na de eiwitvorming worden de beide eivliezen om het eiwit gelegd. Dit gebeurt in ongeveer 1 uur, waarna het bijna complete ei in het eierschaalvormend gedeelte komt, waarin het ongeveer 21 uur blijft voor de vorming van de eierschaal. Vandaar gaat het ei via de eigang naar de cloaca. In ongeveer 25 uur wordt het totale ei geproduceerd. De tijdsduur tussen het leggen van het eerste en tweede ei bedraagt 43 tot 44 uur. Als de duivin nog geen rijpe eifollikel heeft, kan zij toch bevrucht worden door de doffer, zelfs 14 dagen voordat de eifollikel rijp is. Wel is het zo dat bij latere paringen de zaadcellen meer kans maken om door te dringen tot de eicel. De oudere zaadcellen zijn wat trager van beweging geworden. Ook kan de duivin nog bevrucht worden tussen het leggen van het eerste en tweede ei in.

Ten gevolge van ontstekingen van de eileider, die erg gevoelig is voor invloeden van buitenaf, wil de eiproductie nog wel eens stagneren. Wat hiervan precies de oorzaak is, is meestal moeilijk te achterhalen. Ook komt het wel voor dat er geen schaalvorming plaatsvindt (windei). Hier kan mogelijk de oorzaak liggen in het feit dat de duivin te vet is, waardoor er vet gevormd wordt rond de eileider, die dan min of meer in elkaar gedrukt wordt. Dit heeft tot gevolg dat er geen normale schaalvorming kan plaatsvinden.

Het Skelet

Naar boven

Het skelet is opgebouwd uit de organische stof eiwit en de anorganische stoffen calcium (kalk) en fosfor. Het moet aan drie belangrijke voorwaarden voldoen. Bij het vliegen moet het skelet het lichaam zo weinig mogelijk luchtweerstand geven. Het moet licht en sterk zijn en het moet bescherming bieden aan de organen, zoals hart, longen, lever, magen, enz.

skelet

het skelet van en duif

Om de vogel zo licht mogelijk te maken, zijn de meeste beenderen hol en gevuld met lucht. In de skeletdelen waar extra krachten opkomen, zoals de vleugels, zijn benige “spijlen” ingebouwd die het bot extra versterken, zonder dat er veel gewichtstoename plaatsvindt. Het gewicht van het skelet is maar 10% van het totale lichaamsgewicht. Het kenmerkende van het vogelskelet is dat van de wervelkolom – bestaande uit hals-, rug- en lendewervels, heiligbeen en staartwervels – de rug- en len de wervels en het heiligbeen tot één stijf geheel zijn vergroeid. Samen met het grote borstbeen en de daaraan vergroeide ribben en het ravenbeksleutelbeen vormt de romp een sterk en stijf geheel om de vliegspieren tot voldoende sterke steun te bieden.

Om de bewegingsloosheid van het lichaam te compenseren, heeft de hals 14 wervels, die de vogel in staat stellen z’n kop 180 graden of meer te draaien.

Als we een duif in de hand nemen, voelen we duidelijk de kam van het borstbeen. Behalve dat het borstbeen het skelet de nodige stijfheid moet geven, biedt het plaats voor de aanhechting van de vliegspieren, die tussen het borstbeen en het opperarmbeen lopen. Vooral de vliegspieren voor de krachtige neergaande beweging zijn breed op het borstbeen aangezet. De spieren die de opgaande vleugelslag mogelijk maken, zijn aanmerkelijk minder sterk. Hun aanhechtingsvlak is dan ook veel kleiner. De vliegspieren maken bijna 25% van het lichaamsgewicht uit.