De toekomst van onze tentoonstellingen

Vooral de laatste weken van het bijna afgelopen jaar waren spannend. In zeker opzicht zijn we als duivenliefhebbers door het oog van de naald gekropen. De wetenschap dat (sier)duiven in het geheel niet ontvankelijk voor vogelgriep zijn, bleek helaas nog lang niet bij iedereen bekend. Voor wat betreft de vogelgriep ontstaan er voor de sierduivenliefhebbers pas echte problemen als er een algemeen vervoersverbod wordt ingesteld.
Het lijkt nu alsof niet alle diergroepen last van sommige ziekten zouden hebben, maar dat is natuurlijk ten dele schijn. Hoewel al onze specifieke sierduivententoonstellingen tot dit moment konden doorgaan, hebben verschillende gemengde tentoonstellingen waaraan ook een provinciaal kampioenschap van de NBS was verbonden, geconcludeerd dat het beter was om hun show niet te laten doorgaan. In die zin zijn we ook geraakt door de vogelpest en het had natuurlijk nog veel erger kunnen zijn als er meer uitbraken in andere gebieden zouden hebben plaatsgevonden.

Het regelmatig uitbreken van de vogelgriep in de laatste jaren zorgt er dan ook voor dat de kwetsbaarheid van ons tentoonstellingsseizoen zichtbaar is geworden en vraagt wellicht om bezinning van de tentoonstellingsorganisaties samen met de bonden en Facilitair Bureau. Het is echter zeer de vraag of alleen verschuiving van het showseizoen, zoals sommigen nu opperen, een verbetering zal zijn. Het zou betekenen dat we pas ruim na het invallen van de vorst met showen kunnen beginnen. Er lijkt immers verband te zijn tussen het invallen van de winter en het uitbreken van de vogelgriep. Met name watervogels komen bij naderende kou naar onze omgeving toe en brengen waarschijnlijk de besmetting mee. Misschien was de zachte winter van vorig jaar wel de reden dat we toen niet met vogelgriep te maken hebben gehad.
Een oplossing kan misschien wel gevonden worden in het omgooien van het hele systeem van tentoonstellingen, inclusief het opnieuw verdelen van de data. Laat de verenigings- en open tentoonstellingen bijvoorbeeld plaatsvinden in de maanden tot en met november omdat deze vaker regionaal gericht zijn en daarom niet altijd onder landelijke verordeningen te lijden hebben en bovendien meestal gemakkelijker en sneller te organiseren zijn. Verplaats de nationale shows naar december en januari en herschik de data ervan in goed overleg met elkaar. Sluit tenslotte af met één bondsshow eind januari of begin februari op een centrale plaats in Nederland. Natuurlijk zal dat wel de nodige praktische problemen opleveren maar we kunnen het beter hebben over het oplossen hiervan dan over het verbod op shows vanwege besmettelijke ziekten.
Het vergt in ieder geval dat we over onze eigen schaduw heen stappen. Dat zal toch moeten want de inzendingen op shows worden ook zonder uitbraken van ziekten elk jaar minder. Globaal genomen heeft iedere (sierduiven)tentoonstelling elk jaar ongeveer 100 dieren minder tenzij een andere tentoonstelling in de regio door omstandigheden niet door kan gaan. Maar is dat dan de bedoeling? Daarmee is de liefhebberij toch niet gebaat?
Wordt het dan ook geen tijd om onszelf eens af te vragen hoe lang we nog met dit systeem willen doorgaan? Gaan we door totdat onze shows zo klein worden dat we ze niet meer in stand kunnen houden vanwege de terugloop van het aantal liefhebbers, de onzekerheid van besmettingen, de financiële lasten, het gebrek aan medewerkers door vergrijzing of door de opgehoopte frustraties van de mensen die zich aanhoudend voor de show hebben ingespannen. Of wordt het misschien tijd om samen naar een oplossing te zoeken en samen de handen in elkaar te slaan?
Bewustwording van het probleem is de eerste stap in de richting van een toekomstige oplossing. Ongetwijfeld valt er over dit onderwerp nog heel veel meer te zeggen. Het zou goed zijn als zowel liefhebbers als verantwoordelijke bestuurders zouden aangeven de noodzaak tot verandering te onderschrijven en daarover zouden willen meedenken.
Thom Laming